Pesten en weerbaarheid

Pesten heeft invloed op het zelfvertrouwen. Moet je kind dan gewoon weerbaarder worden? 

Het is niet de schuld van je kind. Nooit.

Elke ouder wil voorkomen dat zijn of haar kind gepest wordt. Toch bestaat er geen toverformule die ervoor met zekerheid zorgt dat dit nooit zal gebeuren. Pesters maken gebruik van alles wat je kind uniek maakt, of van omstandigheden die je kind soms kwetsbaar maken. Is je kind nieuw op school? Verschilt de taal of de achtergrond van jouw kind met die van de pester? Kiest je kind voor een in het oog springende kledingsstijl, heeft het een bijzondere hobby? Blinkt je kind uit in de klas, of bengelt het puntengewijs altijd onderaan? Ook fysieke kenmerken zoals gewicht, haarkleur, sproeten, opvallende oren of neus, of een beperking, kunnen aanleiding zijn om te pesten. 

Mijn zoon wordt gepest omdat hij een beetje te dik is. Ik vind dat heel erg. Zowel op school als op straat schelden ze hem uit en roepen ze hem na: ‘dikzak, dikzak’.

Er zijn omstandigheden waarin kinderen makkelijker gepest worden. Een omgeving die hen tegen elkaar opzet. Opvoeders die weinig verantwoordelijkheid nemen, weinig betrokken zijn of heel autoritair reageren. Ook in een omgeving die het pesten minimaliseert, zijn meer pestproblemen. Volwassenen die te lang afwachten om te reageren, zorgen ervoor dat slachtoffers minder steun krijgen en pesters meer kansen krijgen. 

Vaak horen ouders van gepeste kinderen: 'Maak je kind weerbaar, en het pesten zal stoppen'. Hoewel zelfvertrouwen en assertiviteit eigenschappen zijn die een kind vaak helpen op moeilijke momenten, wekt dit advies de indruk dat het 'te zwakke' kind het pestgedrag zou uitlokken. Je kind verliest het zelfvertrouwen net omdat het gepest wordt en op te weinig steun kan rekenen. Wie pest, wil een ander moedwillig kwetsen. Elk kind, los van zijn karakter, uiterlijk, afkomst of voorkeuren, verdient een respectvolle behandeling. Dat is wat telt in elke boodschap, zowel naar dader, slachtoffer als omstaanders. 

Zelfvertrouwen geven

Meer zelfvertrouwen maakt je kind dus niet immuun tegen pesten. De kans dat je kind gepest zal worden, verkleint wel.

Ik vind heel belangrijk dat je je kind zelfvertrouwen geeft. Dat is heel belangrijk om je te verzetten, tegen pesten bijvoorbeeld. Je moet heel veel kunnen communiceren met je kind. Je kind aanmoedigen. Zodat hij zich weinig aantrekt van wat anderen denken. Ik heb dat doel nu nog niet bereikt, maar ik zou echt willen dat mijn kind zichzelf aanvaardt zoals hij is. Het is moeilijk om zo gesprekken te doen op kinderniveau. Ik voel me als mama ook onzeker. Ik wil mijn kind helpen maar ik weet niet altijd op welke manier.

  • Toon je kind dat je het graag ziet, en dat je er altijd voor hem of haar wilt zijn. Breng tijd met je kind door: samen eten, spelen, klussen, voorlezen... Maak tijd om te luisteren naar wat je kind bezig houdt, en laat toe dat je kind niet alleen blij is, maar ook soms boos, verdrietig, onzeker of bang. Laat merken dat je het zelf ook niet altijd allemaal weet. 
  • Toon waardering: vertel wat je bewondert in je kind, wat je aardig, grappig, uniek aan hem of haar vindt. Grenzen stellen en bewaken is nodig, maar straffen mag niet overheersen. Onverschilligheid of afstandelijkheid maakt de band met je kind minder sterk.
  • Geef je kind verantwoordelijkheid: laat zien dat je vertrouwen hebt in je kind. Help je kind om te zoeken naar oplossingen voor een probleem. Je kind leert niks als jij alles blijft oplossen voor hem. Ook zeggen dat je je kind toch gewaarschuwd hebt en dat het zijn eigen schuld is, of jezelf als slachtoffer opstellen ('Wat doe je me toch aan'),  doet geen goed voor het zelfbeeld van je kind.   
  • Wees duidelijk over regels, grenzen en afspraken: kinderen hebben houvast en duidelijke grenzen nodig. Leg uit waarom je een regel invoert, en bespreek ze ook samen met je kind. Volg de gemaakte regels en afspraken goed op. Eens afwijken van een gemaakte afspraak moet ook kunnen. Leg uit waarom je dat doet ('wat later naar bed omdat het vakantie is', 'langer op die fuif blijven omdat het de verjaardagsfuif is van de beste vriend(in)' bijvoorbeeld).
  • Fouten maken mag: dat zijn leerkansen. Probeer je boosheid onder controle te houden. Praat met je kind over wat gebeurt is en wat je kind kan doen om het een volgende keer anders aan te pakken. Laat zien dat je fouten vergeeft en hem of haar nog steeds graag ziet.
  • Ruimte geven en betrokken blijven: opgroeiende kinderen hebben meer eigen ruimte nodig. Ze zoeken hun eigen weg, en vrienden spelen een grote rol. Blijf geïnteresseerd en betrokken. Ken hun vrienden en vraag regelmatig waar ze mee bezig zijn, ook al krijg je soms korte of weinig zeggende antwoorden. Maak je je zorgen? Praat erover met je kind. Je kind zal het verschil tussen bezorgdheid en bemoeizucht steeds beter herkennen. 
  • Leer je kind opkomen voor zichzelf en ‘sorry’ zeggen: je hebt een voorbeeldrol voor je kind. Hoe reageer jij in een ruzie of discussie? Toon je jouw emoties? Heb je begrip voor het standpunt van een ander? Kom je op voor jezelf of voor kwetsbaren in de maatschappij? Kan je 'sorry' zeggen als je fout was of te fel reageerde? Je kind spiegelt zich voor heel veel zaken aan de volwassenen in de omgeving. Wees je daarvan bewust.

Ondersteuning in je buurt

Zoek je steun bij het opvoeden? Het Huis van het Kind helpt je op weg.

Vind het Huis van het Kind in je buurt.

Stel je vraag

Een vraag over opvoeden?  De Opvoedingslijn geeft een antwoord op maat.

Stel je vraag via het contactformulier.